Even wil ik het over het glorieuze jaar 1958 hebben, het jaar van de Wereldtentoonstelling. Het waren mijn eerste stappen in de grote mensenwereld, was net van school af en had snel werk gevonden bij een expeditiekantoor, had mijn eigen kamertje thuis bij mijn ouders, met mijn eigen kleine meubilair en een Philipsradiootje, gekocht met mijn eerste zuur verdiende centen. Dat mocht van mijn ouders, want ze wisten hoe dol ik toen op muziek was.
Wat een kleinood. Ik was weg van dat magische oog dat open en dicht ging wanneer je aan de zenderknop draaide. Bij een goede ontvangst stond het helemaal open, bij minder goede tot slechte vernauwde het oog zich tot een spleetje en straalde als het ware wantrouwen uit. “Hilversum 3 bestond nog niet en op iedere stijger klonk toen een lied…”
Waar luisterde ik dan wel naar ? Ik had een voorkeur voor een Franse post, “France Culture”, waar een wekelijks programma te beluisteren viel dat “La Fine Fleur” heette. Daar leerde ik voor het eerst alle grote Franse chansonniers kennen, de oude garde uiteraard : Jean Sablon, Georges Ulmer, Juliette Greco, Léo Ferré, Patachou, Lucienne Delyle, Edith Piaf, Philipe Clay, Les Compagnons de la Chansons, Henry Salvador, Brel, Barbara, George Brassens, Mouloudji, Charles Trenet, Maurice Chevalier, etc. Er werd poëzie voorgedragen van Verlaine, Prévert en Rimbaud. Ik was aanvankelijk niet zo Frans-minded, maar die muziek en die poëzie haalden me over de schreef.
Ik zat aan mijn radiootje gekluisterd. Niemand mocht me komen storen. Het was een laatavond programma en het was dus al donker buiten. Alleen bij het licht van dat magische oog gaf ik me over aan de muziek en de teksten. Heel lang heb ik dat programma gevolgd, tot het tenslotte uit de ether verdween. Als ik me niet vergis was het een programma van ene Yves of Jacques Berger, die later ook het tijdschrift “Planète” oprichtte.
Sommigen van die teksten ken ik nog uit het hoofd, omdat ik ze zo vaak hoorde. Er was o.a. een prachtig chanson op een tekst van Jacques Prévert, op muziek van Cosma, gezongen door “Les Quatres Barbus” en dat heette “À l’enterrement d’une feuille morte”, over twee slakken die naar de begrafenis gaan van een herfstblad. Prachtig gewoon.
Later kwam daar nog de Vlaamse Kleinkunst bij, met Miel Cools, Hugo Raspoet en Kor vander Goten, de eerste Vlaamse troubadours, de pioniers van het luisterlied. Men kon toen nog concurreren met Nederland, waar o.a. Jules de Corte succes had. Johan Anthierens had ongeveer in die periode, ook een radioprogramma, dat “De charme van het chanson” heette en waarin zowel Franse als Vlaamse chansons werden gedraaid. Ook mijn vader luisterde trouw naar die programma’s en hij was een groot bewonderaar van Edith Piaf en Gilbert Bécaud.
Veel jaren later zag ik ooit op televisie een prachtig programma van de BBC, “Radio Days”. Evenals “The Singing Detective” van Dennis Potter, ook door de BBC uitgezonden, flirtte met die oude songs. Ik herinner me nog het leuke liedje dat Bing Crosby erin vertolkte “Don’t Fence Me In”. Een van de allermooiste televisieseries die ik ooit zag. Is nooit meer geëvenaard geweest tot de dag van vandaag.
Ach, die uren gekluisterd aan mijn radiootje, ik vergeet ze nooit. Af en toe hoor ik nog wel eens toevallig zo’n oude melodie op de radio en dan komt mijn hele jongelingentijd terug in herinnering.
Wow! Nog geen tijd gehad om veel te lezen, maar hij ziet er wel leuk uit, die nieuwe blog!