CASPER & HOBBES

februari 25, 2008

simon.jpg

 

Al mijn hele leven ben ik een fervent lezer van stripverhalen geweest. Het begon, tijdens de oorlogsjaren nog, met het weekblad “Bravo”, waarin De Belhamels (The Katzenjammer Kids) Blake & Mortimer en Mandrake, mijn favoriete strips waren. Kostprijs : 1 fr ! 45 fr voor een jaarabonnement… Later, na de bevrijding, kwamen er nog Robbedoes, Mickey, Kuifje, Nero en de Kapoentjes bij. Tot op de dag van vandaag, meer dan een halve eeuw later, kan ik het niet laten een stripwinkel voorbij te lopen zonder toch even voor het uitstalraam te blijven staan, of zelfs eens binnen te wippen.

 

Waar ik thans woon in Oostende, is om de hoek een fantastisch gezellig stripwinkeltje, uitgebaat door nota bene een Gentenaar. De man rijdt wekelijks op een zware motor heen en weer tussen Gent en Oostende. Zijn vehikel staat aan zijn winkeltje geparkeerd wanneer hij aanwezig is. De andere dagen heeft hij een vervangerster. Dààr dus, in dit winkeltje, ontdekte ik de prachtige strip van Bill Watterson, “Calvin & Hobbes” (vertaald in het Nederlands als “Casper & Hobbes”). Op het internet te vinden onder :

 

http://www.platypuscomix.net/otherpeople/watterson.html.

 

Aan deze strip heb ik werkelijk mijn hart verpand, vooral daar ik sinds iets meer dan anderhalf jaar een kleinzoon heb, Simon, die me onwillekeurig aan dat ventje uit de strip doet denken. Bekijk eens de foto hierboven en zeg me of de guitigheid er niet van afstraalt ? Ik raad alle aanstaande jonge ouders beslist aan ook eens de strip van Watterson ter hand te nemen, want beter dan om het even welk opvoedkundig of psychologisch verantwoord kinderboek, krijgen ze hier een inkijkje in de wondere wereld van de kinderziel.  Dit zeg ik beslist niet om hen af te schrikken, maar veeleer bij wijze van voorbereiding.

 

De fratsen die Casper met Hobbes uithaalt, spelen zich grotendeels af binnen zijn eigen fantasiewereldje. Casper is ook bijwijlen een dromertje. Dat doet Simon zo af en toe ook, wegdromen, en je vraagt je als volwassene dan af wat er in zo’n kinderhoofdje omgaat ? Maar meestal is hij erg bij de zaak en ontglipt er niets aan zijn aandacht. Het leven op straat heeft zijn volle belangstelling ; geen auto, geen vrachtwagen, geen politie- of ziekenwagen, geen brandweer, geen helikopter, geen tram of bus, geen brommer gaat ongemerkt aan zijn gezichtsveld voorbij.  Kranen en vooral bouw- en wegenwerken in het bijzonder, behoren tot zijn domein tijdens de wandeltochten in zijn buggy, die hij vanaf zijn zitplaats met aanwijzingen van zijn kleine vingertje dirigeert.  Al van een straat ver wijst hij aan waar eventueel iets interessants te zien is.  Bovendien kent hij ook alle bijhorende geluiden en zijn register vult hij nauwkeurig aan.

 

Onlangs bezochten we met hem het station, om hem ook eens kennis te laten maken met een ander vervoermiddel dan de auto, kwestie van ecologisch bewust en verantwoord bezig te zijn met zijn opvoeding. Twee nieuwe geluiden voegde hij toe aan zijn reeds rijke verzameling : het fluitsignaal van de treinwachter en het gesis van de zich automatisch sluitende deuren van de rijtuigen. Vraag je hem : “Simon, hoe doet de trein ?”, dan zie je gelijk zijn handje naar de mond brengen om aan te tonen dat er eerst een fluitsignaal aan voorafgaat, vervolgens klapt hij beide handen tegen elkaar, wat het sluiten van de deuren moet voorstellen en ten slotte brengt hij het erbij horend sissend geluid uit.  Zo heeft hij voor iedere gebeurtenis die hem op straat is opgevallen en bijgebleven, een eigen klein scenario met klank en beeld inbegrepen.

 

Deze zomer ga ik met hem ook naar het strand, om er zandkastelen te bouwen, putten te graven, dijken en waterwerken op te zetten, zijn eigen kleine wereld vorm te laten geven. Deze reporter zal niet nalaten er nog verslag over uit te brengen. Is het overigens niet in het stripblad “Kuifje” dat het opschrift staat : “voor 7 tot 77 jaar” ?

       


HILVERSUM 3 BESTOND NOG NIET

februari 21, 2008

b3x82u.jpg

 Even wil ik het over het glorieuze jaar 1958 hebben, het jaar van de Wereldtentoonstelling. Het waren mijn eerste stappen in de grote mensenwereld, was net van school af en had snel werk gevonden bij een expeditiekantoor, had mijn eigen kamertje thuis bij mijn ouders, met mijn eigen kleine meubilair en een Philipsradiootje, gekocht met mijn eerste zuur verdiende centen. Dat mocht van mijn ouders, want ze wisten hoe dol ik toen op muziek was.  

Wat een kleinood. Ik was weg van dat magische oog dat open en dicht ging wanneer je aan de zenderknop draaide. Bij een goede ontvangst stond het helemaal open, bij minder goede tot slechte vernauwde het oog zich tot een spleetje en straalde als het ware wantrouwen uit. “Hilversum 3 bestond nog niet en op iedere stijger klonk toen een lied…”

 

Waar luisterde ik dan wel naar ? Ik had een voorkeur voor een Franse post, “France Culture”, waar een wekelijks programma te beluisteren viel dat “La Fine Fleur” heette. Daar leerde ik voor het eerst alle grote Franse chansonniers kennen, de oude garde uiteraard : Jean Sablon, Georges Ulmer, Juliette Greco, Léo Ferré, Patachou, Lucienne Delyle, Edith Piaf, Philipe Clay, Les Compagnons de la Chansons, Henry Salvador, Brel, Barbara, George Brassens, Mouloudji, Charles Trenet, Maurice Chevalier, etc. Er werd poëzie voorgedragen van Verlaine, Prévert en Rimbaud. Ik was aanvankelijk niet zo Frans-minded, maar die muziek en die poëzie haalden me over de schreef.

 

Ik zat aan mijn radiootje gekluisterd. Niemand mocht me komen storen. Het was een laatavond programma en het was dus al donker buiten. Alleen bij het licht van dat magische oog gaf ik me over aan de muziek en de teksten. Heel lang heb ik dat programma gevolgd, tot het tenslotte uit de ether verdween. Als ik me niet vergis was het een programma van ene Yves of Jacques Berger, die later ook het tijdschrift “Planète” oprichtte.

 

Sommigen van die teksten ken ik nog uit het hoofd, omdat ik ze zo vaak hoorde. Er was o.a. een prachtig chanson op een tekst van Jacques Prévert, op muziek van Cosma, gezongen door “Les Quatres Barbus” en dat heette “À l’enterrement d’une feuille morte”, over twee slakken die naar de begrafenis gaan van een herfstblad. Prachtig gewoon.

 

Later kwam daar nog de Vlaamse Kleinkunst bij, met Miel Cools, Hugo Raspoet en Kor vander Goten, de eerste Vlaamse troubadours, de pioniers van het luisterlied. Men kon toen nog concurreren met Nederland, waar o.a. Jules de Corte succes had. Johan Anthierens had ongeveer in die periode, ook een radioprogramma, dat “De charme van het chanson” heette en waarin zowel Franse als Vlaamse chansons werden gedraaid. Ook mijn vader luisterde trouw naar die programma’s en hij was een groot bewonderaar van Edith Piaf en Gilbert Bécaud.

 

Veel jaren later zag ik ooit op televisie een prachtig programma van de BBC, “Radio Days”. Evenals “The Singing Detective” van Dennis Potter, ook door de BBC uitgezonden, flirtte met die oude songs. Ik herinner me nog het leuke liedje dat Bing Crosby erin vertolkte “Don’t Fence Me In”. Een van de allermooiste televisieseries die ik ooit zag. Is nooit meer geëvenaard geweest tot de dag van vandaag.

 

Ach, die uren gekluisterd aan mijn radiootje, ik vergeet ze nooit. Af en toe hoor ik nog wel eens toevallig zo’n oude melodie op de radio en dan komt mijn hele jongelingentijd terug in herinnering.

  


OOSTENDE 1936

februari 21, 2008

boek.jpg

In de zomer van 1936 verbleven hier, in Oostende, een aantal bekende Duitse joodse schrijvers en kunstenaars, allen op doorreis en op de vlucht voor het opkomend nazisme in het Duitsland van toen. Onder hen Stefan Zweig, Joseph Roth, Egon Erwin Kisch, Ernst Toller en Irmgard Keun. Oostende ontving hen vriendelijk en ze vonden allemaal een onderkomen in de verschillende hotels van toen, zoals het Hôtel de la Couronne, dat zich aan de Vindictivelaan bevond, maar inmiddels is afgebroken. Op die plaats staat nu een winkel van wondermatrassen, alsof het lot een grapje had uitgehaald en iets van die slaapplaatsen had willen herdenken.  Maar ook te Bredene vestigden zich enkelen onder hen.

Over hun verblijf hier werd een boekje uitgegeven door Mark Schaevers, journalist en schrijver. Van 16 juni tot 24 september 2000, ging in de Venetiaanse Gaanderijen op de zeedijk van Oostende, een tentoonstelling door over het verblijf van die mensen hier, onder de titel “Joodse sporen in Oostende”. De stad heeft dus nog een andere geschiedenis dan die van koningen alleen…

 

Het boekje van Mark Schaevers, uitgegeven bij Atlas, is boeiend om lezen, vol melancholie en humor. Vooral Joseph Roth, Stefan Zweig en Irmgard Keun komen zeer goed uit de verf. In die mate zelfs, dat je hun literaire werk met andere ogen gaat lezen. Het is tevens rijkelijk verlucht met tal van interessante historische foto’s. Ik vind het een kleinood in zijn genre en prijs me gelukkig het ooit op de kop te hebben getikt. Oostende krijgt hierdoor voor mij een extra achtergrond, meer bepaald een literaire, die ik haar voorheen nooit had toegedicht. Bevind zich hier overigens ook niet de vermaarde boekhandel Corman en is Charlotte Mutsaers hier ooit niet als aangespoelde komen wonen ? Heeft ook Eric de Kuyper hier niet vanaf zijn hooggelegen appartementsbalkon zijn bevindingen over deze stad uitgestrooid in heerlijke van melancholie doordrongen verhalen ?

    


A PENCIL FOR YOUR THOUGHTS…

februari 20, 2008

moleskine1.jpg

 

Sinds mijn jongelingenjaren hou ik dagboeken bij. Omstreeks 1957 ben ik ermee begonnen. Toen was ik 20, thans 71. Où sont les neiges d’antan ? Aanvankelijk schreef ik alles met de hand, later op een oude Remington en nog veel later op een computer. Dat was in de tijd van DOS, met de toen prachtige tekstverwerker WordPerfect, het blauwe scherm dat Windows gewoon heeft overgenomen. Nog wat later schakelde ik over op Windows 3.0, tot vandaag op XP.

 

Steeds minder ging ik met de hand schrijven, waardoor mijn handschrift zienderogen achteruitging. Door een toeval belandde ik op de site van “Moleskine”  het wereldberoemde notitieboekje, waarvan Vincent van Gogh, Pablo Picasso, Henri Matisse, Ernest Hemingway, André Breton en Bruce Chatwin, en nog tal van andere kunstenaars, gebruik maakten. Deze site (http://www.moleskinerie.com/) is prachtig en heus de moeite waard, want ze bulkt van de originele tekeningen en teksten. Ik werd er meteen verliefd op. Tegelijk is ze ook een thuisfront voor iedereen die van schrijven, pennen, potloden, papier en allerhande notaboekjes houdt. Alles wat je over deze parafernalia wilt weten, is er te vinden. Van lieverlede kreeg ik meteen heimwee naar het noteren met pen of potlood op dat goede oude vertrouwde papier. Mijn oog viel op een citaat van Kevin Kelly, een Amerikaanse auteur, die boudweg poneerde : “A pencil kan generate megabytes of text, needs no batteries, and has no user manuel. It is comfortable to hold, it smells good an it is relaxing to turn around in your hand as you try tot think of the right words. Pencils don’t need ink ; all they need is a sharpener. They are warm and friendly, they have souls.” Nooit las ik een mooiere ode aan het potlood.

 

Nu ben ik wel geen vijand van de informatica en de computer heeft voor mij beslist ook zijn ontegensprekelijke voordelen, al was het alleen al maar omwille van e-mail. Er zit echter iets nostalgisch aan dat citaat vast. Ik kwam er niet van los. Ik haalde er mijn oude dagboeken bij en vond dat ik een soort van “verraad” had gepleegd. Ik moest terug naar de bron. Op de site van Moleskine had ik de mooie en handige boekjes gezien, helaas nogal prijzig, 11 euro per stuk. In de “Internationale Boekhandel” te Oostende, in de Adolf Buylstraat, had men een heel assortiment van deze hebbedingetjes. Want dàt waren ze toch wel, ze behoorden tot het slag van “collectors items”, zoals vulpennen, vulpotloden, miniatuurautootjes, handtassen, knuffelbeestjes en noem maar op. Een serieuze dagboekschrijver kon niet om hen heen, was mijn overtuiging en dus  schafte ik me zo’n gadget aan. Het kwam me ook prachtig van pas bij mijn lectuur, waarbij ik voorheen altijd driftig aantekeningen maakte in de marge van mijn (eigen) boeken.  Nu kon dat op een behoorlijke en efficiëntere manier. Alras wat het boekje vol en zag ik me genoodzaakt een nieuw aan te schaffen. Dan maar gelijk een stuk of drie, met het oog op de toekomst. De keuze is echter niet eenvoudig, want er zijn er in verschillende uitvoeringen en formaten, tegemoetkomend aan de meest veeleisende wensen van de notoire dagboekschrijver. Het zakformaat is handig, het papier zuurvrij, gelinieerd, geruit of blanco en het omslag, de cover, momenteel in twee kleuren, zwart en rood, van materiaal met een grote aaibaarheidsfactor. Er zit een leeslint in en omheen de buitenkant een elastiek om het geheel goed dicht te houden, ter bescherming voor eventueel indringend vocht en binnenin, achteraan,  is een handig envelopje voorzien om allerlei losse papiertjes in te bewaren; tickets, visitekaartjes, labels, noem maar op. Dit is natuurlijk allemaal lof van een adept, anderen zullen er misschien minder euforisch over denken.

 

En helpt dat nu werkelijk om gemotiveerder te gaan schrijven ? Ja ! althans wat mezelf betreft. Ik heb meer voeling met de drager van mijn ideeën en invallen, dan wanneer ik mijn tekst vanaf het glazige computerscherm aflees. Deze laatste is afstandelijker en geeft me niet dezelfde kick als het voeren van een goed geslepen potlood (ruik de geur van het cederhout), of een kwaliteitspen (voel het vloeien van de inkt, warm uit je hand) over het papier. Ach, ieder vogeltje zingt tenslotte toch zoals het gebekt is…

  


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.