De drie musketiers.

maart 16, 2008

de-3-musketiers-2.jpg  Bladerend in oude fotoboeken, met van die zijdeachtige papiertjes tussen de pagina’s waarop een ragfijn spinnenweb in reliëf gedrukt stond en een lintje om de bladzijden te markeren, vond ik ineens deze foto terug.  Het jongetje met brilletje ben ik. We waren onafscheidelijke vriendjes. Men noemde ons “de drie musketiers”, één voor allen, allen voor één ! Van links te beginnen, Charelke, in ’t midden Jantje en ik. Het was op een zondag, na of vóór de mis, want we hadden ons “beste kostuumke” aan. De opname dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog. Ik vermoed dat ik daar zo’n jaar of tien, elf moet geweest zijn.  Wat zou er van hen geworden zijn ? Nooit zag ik ze terug. Leven ze nog ? Wat is de tijd toch een raar fenomeen. Hier ligt iets vast wat ooit deel uitmaakte van mijn bestaan, een momentopname. Het is een stukje bevroren realiteit. Gezwind en blij te moede  stappen we gedrieën het leven tegemoet, niet vermoedend wat ons nog allemaal te wachten zal staan. Niets liet voorzien dat onze vriendschap ooit zou opgeslokt worden door het monster dat men realiteit noemt en dat meedogenloos is.  Wat hebben we samen een pret gehad en elkaar door dik en dun gesteund, onvoorwaardelijk trouw aan elkaar gezworen. We deelden alles. Er waren toen nog geen meisjes in het spel die van ons rivalen konden maken. Vrienden voor het leven, dachten we. Samen bezochten we s’zondags de bioscoop en leefden mee met de avonturen van Zorro of Tex Ritter, de zingende cowboy, of lazen de boeken van Karl May over Winnetou en Old Shatterhand die we dan naspeelden. Stiekem rookten we onze eerste sigaret, een pakje Amadis gekocht met onze gezamenlijke zondagscenten. Iedere zondagvoormiddag ging ik na de mis naar mijn grootvader om er mijn wekelijks zondagsgeld in ontvangst te nemen. Soms ging Jantje of Charelke mee. Dan kregen ze ook een kop chocolademelk of een lekkere koek. De vijf frank die me werd toegestopt verteerden we samen op de markt van Ledeberg, want daar was genoeg verleidelijks te vinden.  En wat was het toen nog rustig op straat. Op de achtergrond van de foto is een benzinepomp te zien en een enkele auto. Er was weinig verkeer want alleen de rijken bezaten een auto. Het gras groeide nog tussen de kasseien.  De straat waarin we ons bevonden is de Eggermontstraat, die recht op het Kerkplein loopt. De straat achteraan, die dwars op de Eggermontstraat staat, is de Hundelgemsesteenweg, die rechts naar de Sint-Lievenspoort en de brug over de Schelde loopt. Blijkbaar waren we op weg naar de kerk. Wie de foto genomen heeft weet ik niet meer zo heel zeker, maar ik vermoed dat het mijn tante Angèle was die altijd haar fotoapparaat bij zich had.  Een klein detail : Charelke droeg lederen handschoenen en Jantje en ik hadden een “stoeferken” in onze bovenste vestzakje. ’s Zondags waren we uitgedost als oude heertjes maar in de week liepen we er minder chic bij. Allemaal hadden we een hekel aan dat stijve zondagspak maar droegen er toch wel zorg voor er ongehavend terug mee thuis te komen. Dit moet in het voorjaar genomen zijn, te oordelen naar de lichte kledij van ons zowel als van de vrouwen op de achtergrond, die er duidelijk ook schik in hadden. Het was ons niet aan te zien dat we nog niet lang geleden vijf akelige oorlogsjaren achter de rug hadden. Vooral Charelke heeft het toen hard te verduren gehad en wist wat hongerlijden was.  Men zegt soms, het verleden is voorbij, maar dat geloof ik nu niet meer. Ik hecht meer waarde  aan het credo van Jeroen Brouwers, die beweert dat alles met alles te maken heeft en dat niets bestaat dat niet iets anders aanraakt…       


OVER VERHUIZEN EN ARCHIEVEN.

maart 12, 2008

file_cab.gif

  Altijd ben ik een verzamelaar geweest en kon ik heel moeilijk iets weggooien. Mijn echtgenote is in hetzelfde bedje ziek. Toen we van een ruim huis uit Gent naar een appartement in Oostende verhuisden, was dat een ware ramp. Het leeghalen van een woning waarin een gezin van vijf mensen ongeveer dertig jaar had gewoond is geen sinecure. Wat mag weg en wat niet ?  Er leek geen beginnen aan. Alle kamers zaten boordevol, van de zolder tot de kelder, met spullen die we niet meer gebruikten maar waarvan we nooit afstand konden doen. Dit of dat kon nog eens van pas komen, voor de kinderen later, voor de kleinkinderen…  

Mijn boekenkast besloeg een volle muur, gedeeltelijk met vrij nieuwe boeken en gedeeltelijk met oude vergeelde exemplaren die ik nooit meer zou herlezen. De keuze leek gemakkelijk, tot ik exemplaar per exemplaar in de handen nam, opensloeg en er eventjes in begon te lezen…  Dàt had ik nooit mogen doen ! Uren heb ik doorgebracht met alleen het sorteren van mijn boeken, terwijl het me op het eerste zicht een fluitje van een cent leek.  En toen was er nog al de andere onbestemde rommel waarvan we ons afvroegen waarom we die ooit bewaard hadden.  

Vermits we niet over een auto beschikten, konden we niets zelf naar het containerpark brengen. We zouden aan kennissen en vrienden vragen om eens langs te komen om eventueel mee te nemen wat hen interesseerde. Maar natuurlijk bleef er nog een ontzaglijke troep over waar niemand iets aan had, zelfs een uitdrager niet, of de Kringloopwinkel.  We zouden alles naar beneden brengen, te beginnen met de zolder en dan bekijken hoe groot de container moest zijn om er alles in kwijt te geraken.  

Enfin, die voorbereiding heeft maanden geduurd, want we moesten telkens vanuit Oostende per trein naar Gent rijden, steeds geladen bij de terugkeer met een volle caddie.  Wat we zelf konden verhuizen, in kleine hoeveelheden, namen we dus mee. Wat overbleef was voor de container. En er bleef inderdaad nog heel wat over, zodat we naderhand vreesden dat niet alles in die ene container kon die we inmiddels hadden aangevraagd. Het werd passen en meten en ieder gaatje diende gevuld. Uiteindelijk was het ons toch gelukt en konden we voor goed de deur achter ons sluiten.  Wat nog achterbleef was wat tuingerief die de nieuwe eigenaars best konden gebruiken. 

Maar inmiddels had zich in het appartement in Oostende een ander probleem voorgedaan. Al die dozen en pakken die we gedurende die maanden hierheen hadden gesleept moesten nu ergens opgeborgen worden. Opnieuw kwam onze woonst eivol te zitten. We hadden blijkbaar niet zoveel geleerd na al die jaren van verzamelen. Een hamster zou erbij verbleken. 

Sinds jaren bewaarde ik allerlei krantenknipsels en literaire bijlagen uit kranten in archiefdozen. Er waren tientallen van dergelijke dozen die nu weer een onderkomen op mijn kamertje moesten vinden. Alle kasten zaten reeds boordevol en de dozen diende ik noodgedwongen ergens op te stapelen, wat geen gezicht was. Mijn archief zo maar weggooien kon ik niet over mijn hart krijgen, want dat was de vrucht van jaren en jaren verzamelen. Achteraf zou ik daar bitter spijt van krijgen wist ik. Toen kreeg ik een lumineuze inval. Indien ik het hele archief eens in  mijn pc opsloeg ? Ik had een scanner en kon dus ieder document inscannen en opbergen in een virtuele map. Dit is een werkje van jaren geworden, maar uiteindelijk zit alles netjes opgeborgen op de harde schijf, en… voor de zekerheid, ook nog op enkele cd-romschijfjes extra. Het nieuwe materiaal wordt wekelijks toegevoegd, wat snel is gebeurd. Geen dozen meer met muf ruikende en vergeelde krantenknipsels, maar een praktisch archief, netjes op trefwoord, auteur, onderwerp enz. waaruit ik in een mum van tijd iets kan ophalen.  Dit ruimteprobleem was alvast opgelost en het was stukken praktischer dan al die archiefdozen waarin ik moest zitten rommelen op zoek naar een artikel, waarvoor ik weliswaar per doos een korte inhoud had gemaakt, maar dat toch nog altijd vrij omslachtig bleef.  Nu, met een druk op de knop kwam het gewenste knipsel tevoorschijn, netjes in Wordformaat en met bijbehorende foto’s of prentjes.  Leve de informatica ! 

Ik ging me na verloop van tijd toch  afvragen waarom ik die sisyfusarbeid gedurende ettelijke maanden had verricht als ik alles even gemakkelijk via het internet kon opzoeken ?  Maar niets is minder waar. Hetgeen je precies zoekt vind je niet op dat moment op het net en een eigen bijkomend archief kan redding brengen. Bovendien zaten de meeste artikelen ook nog eens in mijn hoofd en wist ik bijna met 99 procent zekerheid te zeggen dat ik over een bepaald onderwerp wel ergens een knipsel had verzameld. Mijn lange termijn geheugen werkte nog steeds feilloos in tegenstelling tot het korte. Met het klimmen van de jaren ga je terug in de tijd. Misschien kwam ik ooit nog eens bij mijn baarmoederverblijf uit…       


Warwas Dirie ?

maart 12, 2008

 Het kan me geen lor schelen wat men van mijn mening denkt, maar ik wil ze hier toch even luchten. Dat mens, die VN-gezante, die Waris Dirie, die heeft nogal kapsones. Je laat je politiebescherming achter je,  door met een taxi er vandoor te gaan. Naar een dancing bleek acheraf, terwijl de halve politiemacht van de stad naar je op zoek is. Daarna allerlei verhaaltjes verzinnen die geen kat gelooft. Achteraf ons land een beetje in diskrediet brengen door te zeggen dat wij héél erg vrouwonvriendelijk zijn hoor. Terwijl ze nota bene over vrouwenbesnijdenis moet komen praten. Sorry, wie wil wie een lesje komen leren ?  


CASPER & HOBBES

februari 25, 2008

simon.jpg

 

Al mijn hele leven ben ik een fervent lezer van stripverhalen geweest. Het begon, tijdens de oorlogsjaren nog, met het weekblad “Bravo”, waarin De Belhamels (The Katzenjammer Kids) Blake & Mortimer en Mandrake, mijn favoriete strips waren. Kostprijs : 1 fr ! 45 fr voor een jaarabonnement… Later, na de bevrijding, kwamen er nog Robbedoes, Mickey, Kuifje, Nero en de Kapoentjes bij. Tot op de dag van vandaag, meer dan een halve eeuw later, kan ik het niet laten een stripwinkel voorbij te lopen zonder toch even voor het uitstalraam te blijven staan, of zelfs eens binnen te wippen.

 

Waar ik thans woon in Oostende, is om de hoek een fantastisch gezellig stripwinkeltje, uitgebaat door nota bene een Gentenaar. De man rijdt wekelijks op een zware motor heen en weer tussen Gent en Oostende. Zijn vehikel staat aan zijn winkeltje geparkeerd wanneer hij aanwezig is. De andere dagen heeft hij een vervangerster. Dààr dus, in dit winkeltje, ontdekte ik de prachtige strip van Bill Watterson, “Calvin & Hobbes” (vertaald in het Nederlands als “Casper & Hobbes”). Op het internet te vinden onder :

 

http://www.platypuscomix.net/otherpeople/watterson.html.

 

Aan deze strip heb ik werkelijk mijn hart verpand, vooral daar ik sinds iets meer dan anderhalf jaar een kleinzoon heb, Simon, die me onwillekeurig aan dat ventje uit de strip doet denken. Bekijk eens de foto hierboven en zeg me of de guitigheid er niet van afstraalt ? Ik raad alle aanstaande jonge ouders beslist aan ook eens de strip van Watterson ter hand te nemen, want beter dan om het even welk opvoedkundig of psychologisch verantwoord kinderboek, krijgen ze hier een inkijkje in de wondere wereld van de kinderziel.  Dit zeg ik beslist niet om hen af te schrikken, maar veeleer bij wijze van voorbereiding.

 

De fratsen die Casper met Hobbes uithaalt, spelen zich grotendeels af binnen zijn eigen fantasiewereldje. Casper is ook bijwijlen een dromertje. Dat doet Simon zo af en toe ook, wegdromen, en je vraagt je als volwassene dan af wat er in zo’n kinderhoofdje omgaat ? Maar meestal is hij erg bij de zaak en ontglipt er niets aan zijn aandacht. Het leven op straat heeft zijn volle belangstelling ; geen auto, geen vrachtwagen, geen politie- of ziekenwagen, geen brandweer, geen helikopter, geen tram of bus, geen brommer gaat ongemerkt aan zijn gezichtsveld voorbij.  Kranen en vooral bouw- en wegenwerken in het bijzonder, behoren tot zijn domein tijdens de wandeltochten in zijn buggy, die hij vanaf zijn zitplaats met aanwijzingen van zijn kleine vingertje dirigeert.  Al van een straat ver wijst hij aan waar eventueel iets interessants te zien is.  Bovendien kent hij ook alle bijhorende geluiden en zijn register vult hij nauwkeurig aan.

 

Onlangs bezochten we met hem het station, om hem ook eens kennis te laten maken met een ander vervoermiddel dan de auto, kwestie van ecologisch bewust en verantwoord bezig te zijn met zijn opvoeding. Twee nieuwe geluiden voegde hij toe aan zijn reeds rijke verzameling : het fluitsignaal van de treinwachter en het gesis van de zich automatisch sluitende deuren van de rijtuigen. Vraag je hem : “Simon, hoe doet de trein ?”, dan zie je gelijk zijn handje naar de mond brengen om aan te tonen dat er eerst een fluitsignaal aan voorafgaat, vervolgens klapt hij beide handen tegen elkaar, wat het sluiten van de deuren moet voorstellen en ten slotte brengt hij het erbij horend sissend geluid uit.  Zo heeft hij voor iedere gebeurtenis die hem op straat is opgevallen en bijgebleven, een eigen klein scenario met klank en beeld inbegrepen.

 

Deze zomer ga ik met hem ook naar het strand, om er zandkastelen te bouwen, putten te graven, dijken en waterwerken op te zetten, zijn eigen kleine wereld vorm te laten geven. Deze reporter zal niet nalaten er nog verslag over uit te brengen. Is het overigens niet in het stripblad “Kuifje” dat het opschrift staat : “voor 7 tot 77 jaar” ?

       


HILVERSUM 3 BESTOND NOG NIET

februari 21, 2008

b3x82u.jpg

 Even wil ik het over het glorieuze jaar 1958 hebben, het jaar van de Wereldtentoonstelling. Het waren mijn eerste stappen in de grote mensenwereld, was net van school af en had snel werk gevonden bij een expeditiekantoor, had mijn eigen kamertje thuis bij mijn ouders, met mijn eigen kleine meubilair en een Philipsradiootje, gekocht met mijn eerste zuur verdiende centen. Dat mocht van mijn ouders, want ze wisten hoe dol ik toen op muziek was.  

Wat een kleinood. Ik was weg van dat magische oog dat open en dicht ging wanneer je aan de zenderknop draaide. Bij een goede ontvangst stond het helemaal open, bij minder goede tot slechte vernauwde het oog zich tot een spleetje en straalde als het ware wantrouwen uit. “Hilversum 3 bestond nog niet en op iedere stijger klonk toen een lied…”

 

Waar luisterde ik dan wel naar ? Ik had een voorkeur voor een Franse post, “France Culture”, waar een wekelijks programma te beluisteren viel dat “La Fine Fleur” heette. Daar leerde ik voor het eerst alle grote Franse chansonniers kennen, de oude garde uiteraard : Jean Sablon, Georges Ulmer, Juliette Greco, Léo Ferré, Patachou, Lucienne Delyle, Edith Piaf, Philipe Clay, Les Compagnons de la Chansons, Henry Salvador, Brel, Barbara, George Brassens, Mouloudji, Charles Trenet, Maurice Chevalier, etc. Er werd poëzie voorgedragen van Verlaine, Prévert en Rimbaud. Ik was aanvankelijk niet zo Frans-minded, maar die muziek en die poëzie haalden me over de schreef.

 

Ik zat aan mijn radiootje gekluisterd. Niemand mocht me komen storen. Het was een laatavond programma en het was dus al donker buiten. Alleen bij het licht van dat magische oog gaf ik me over aan de muziek en de teksten. Heel lang heb ik dat programma gevolgd, tot het tenslotte uit de ether verdween. Als ik me niet vergis was het een programma van ene Yves of Jacques Berger, die later ook het tijdschrift “Planète” oprichtte.

 

Sommigen van die teksten ken ik nog uit het hoofd, omdat ik ze zo vaak hoorde. Er was o.a. een prachtig chanson op een tekst van Jacques Prévert, op muziek van Cosma, gezongen door “Les Quatres Barbus” en dat heette “À l’enterrement d’une feuille morte”, over twee slakken die naar de begrafenis gaan van een herfstblad. Prachtig gewoon.

 

Later kwam daar nog de Vlaamse Kleinkunst bij, met Miel Cools, Hugo Raspoet en Kor vander Goten, de eerste Vlaamse troubadours, de pioniers van het luisterlied. Men kon toen nog concurreren met Nederland, waar o.a. Jules de Corte succes had. Johan Anthierens had ongeveer in die periode, ook een radioprogramma, dat “De charme van het chanson” heette en waarin zowel Franse als Vlaamse chansons werden gedraaid. Ook mijn vader luisterde trouw naar die programma’s en hij was een groot bewonderaar van Edith Piaf en Gilbert Bécaud.

 

Veel jaren later zag ik ooit op televisie een prachtig programma van de BBC, “Radio Days”. Evenals “The Singing Detective” van Dennis Potter, ook door de BBC uitgezonden, flirtte met die oude songs. Ik herinner me nog het leuke liedje dat Bing Crosby erin vertolkte “Don’t Fence Me In”. Een van de allermooiste televisieseries die ik ooit zag. Is nooit meer geëvenaard geweest tot de dag van vandaag.

 

Ach, die uren gekluisterd aan mijn radiootje, ik vergeet ze nooit. Af en toe hoor ik nog wel eens toevallig zo’n oude melodie op de radio en dan komt mijn hele jongelingentijd terug in herinnering.

  


OOSTENDE 1936

februari 21, 2008

boek.jpg

In de zomer van 1936 verbleven hier, in Oostende, een aantal bekende Duitse joodse schrijvers en kunstenaars, allen op doorreis en op de vlucht voor het opkomend nazisme in het Duitsland van toen. Onder hen Stefan Zweig, Joseph Roth, Egon Erwin Kisch, Ernst Toller en Irmgard Keun. Oostende ontving hen vriendelijk en ze vonden allemaal een onderkomen in de verschillende hotels van toen, zoals het Hôtel de la Couronne, dat zich aan de Vindictivelaan bevond, maar inmiddels is afgebroken. Op die plaats staat nu een winkel van wondermatrassen, alsof het lot een grapje had uitgehaald en iets van die slaapplaatsen had willen herdenken.  Maar ook te Bredene vestigden zich enkelen onder hen.

Over hun verblijf hier werd een boekje uitgegeven door Mark Schaevers, journalist en schrijver. Van 16 juni tot 24 september 2000, ging in de Venetiaanse Gaanderijen op de zeedijk van Oostende, een tentoonstelling door over het verblijf van die mensen hier, onder de titel “Joodse sporen in Oostende”. De stad heeft dus nog een andere geschiedenis dan die van koningen alleen…

 

Het boekje van Mark Schaevers, uitgegeven bij Atlas, is boeiend om lezen, vol melancholie en humor. Vooral Joseph Roth, Stefan Zweig en Irmgard Keun komen zeer goed uit de verf. In die mate zelfs, dat je hun literaire werk met andere ogen gaat lezen. Het is tevens rijkelijk verlucht met tal van interessante historische foto’s. Ik vind het een kleinood in zijn genre en prijs me gelukkig het ooit op de kop te hebben getikt. Oostende krijgt hierdoor voor mij een extra achtergrond, meer bepaald een literaire, die ik haar voorheen nooit had toegedicht. Bevind zich hier overigens ook niet de vermaarde boekhandel Corman en is Charlotte Mutsaers hier ooit niet als aangespoelde komen wonen ? Heeft ook Eric de Kuyper hier niet vanaf zijn hooggelegen appartementsbalkon zijn bevindingen over deze stad uitgestrooid in heerlijke van melancholie doordrongen verhalen ?

    


A PENCIL FOR YOUR THOUGHTS…

februari 20, 2008

moleskine1.jpg

 

Sinds mijn jongelingenjaren hou ik dagboeken bij. Omstreeks 1957 ben ik ermee begonnen. Toen was ik 20, thans 71. Où sont les neiges d’antan ? Aanvankelijk schreef ik alles met de hand, later op een oude Remington en nog veel later op een computer. Dat was in de tijd van DOS, met de toen prachtige tekstverwerker WordPerfect, het blauwe scherm dat Windows gewoon heeft overgenomen. Nog wat later schakelde ik over op Windows 3.0, tot vandaag op XP.

 

Steeds minder ging ik met de hand schrijven, waardoor mijn handschrift zienderogen achteruitging. Door een toeval belandde ik op de site van “Moleskine”  het wereldberoemde notitieboekje, waarvan Vincent van Gogh, Pablo Picasso, Henri Matisse, Ernest Hemingway, André Breton en Bruce Chatwin, en nog tal van andere kunstenaars, gebruik maakten. Deze site (http://www.moleskinerie.com/) is prachtig en heus de moeite waard, want ze bulkt van de originele tekeningen en teksten. Ik werd er meteen verliefd op. Tegelijk is ze ook een thuisfront voor iedereen die van schrijven, pennen, potloden, papier en allerhande notaboekjes houdt. Alles wat je over deze parafernalia wilt weten, is er te vinden. Van lieverlede kreeg ik meteen heimwee naar het noteren met pen of potlood op dat goede oude vertrouwde papier. Mijn oog viel op een citaat van Kevin Kelly, een Amerikaanse auteur, die boudweg poneerde : “A pencil kan generate megabytes of text, needs no batteries, and has no user manuel. It is comfortable to hold, it smells good an it is relaxing to turn around in your hand as you try tot think of the right words. Pencils don’t need ink ; all they need is a sharpener. They are warm and friendly, they have souls.” Nooit las ik een mooiere ode aan het potlood.

 

Nu ben ik wel geen vijand van de informatica en de computer heeft voor mij beslist ook zijn ontegensprekelijke voordelen, al was het alleen al maar omwille van e-mail. Er zit echter iets nostalgisch aan dat citaat vast. Ik kwam er niet van los. Ik haalde er mijn oude dagboeken bij en vond dat ik een soort van “verraad” had gepleegd. Ik moest terug naar de bron. Op de site van Moleskine had ik de mooie en handige boekjes gezien, helaas nogal prijzig, 11 euro per stuk. In de “Internationale Boekhandel” te Oostende, in de Adolf Buylstraat, had men een heel assortiment van deze hebbedingetjes. Want dàt waren ze toch wel, ze behoorden tot het slag van “collectors items”, zoals vulpennen, vulpotloden, miniatuurautootjes, handtassen, knuffelbeestjes en noem maar op. Een serieuze dagboekschrijver kon niet om hen heen, was mijn overtuiging en dus  schafte ik me zo’n gadget aan. Het kwam me ook prachtig van pas bij mijn lectuur, waarbij ik voorheen altijd driftig aantekeningen maakte in de marge van mijn (eigen) boeken.  Nu kon dat op een behoorlijke en efficiëntere manier. Alras wat het boekje vol en zag ik me genoodzaakt een nieuw aan te schaffen. Dan maar gelijk een stuk of drie, met het oog op de toekomst. De keuze is echter niet eenvoudig, want er zijn er in verschillende uitvoeringen en formaten, tegemoetkomend aan de meest veeleisende wensen van de notoire dagboekschrijver. Het zakformaat is handig, het papier zuurvrij, gelinieerd, geruit of blanco en het omslag, de cover, momenteel in twee kleuren, zwart en rood, van materiaal met een grote aaibaarheidsfactor. Er zit een leeslint in en omheen de buitenkant een elastiek om het geheel goed dicht te houden, ter bescherming voor eventueel indringend vocht en binnenin, achteraan,  is een handig envelopje voorzien om allerlei losse papiertjes in te bewaren; tickets, visitekaartjes, labels, noem maar op. Dit is natuurlijk allemaal lof van een adept, anderen zullen er misschien minder euforisch over denken.

 

En helpt dat nu werkelijk om gemotiveerder te gaan schrijven ? Ja ! althans wat mezelf betreft. Ik heb meer voeling met de drager van mijn ideeën en invallen, dan wanneer ik mijn tekst vanaf het glazige computerscherm aflees. Deze laatste is afstandelijker en geeft me niet dezelfde kick als het voeren van een goed geslepen potlood (ruik de geur van het cederhout), of een kwaliteitspen (voel het vloeien van de inkt, warm uit je hand) over het papier. Ach, ieder vogeltje zingt tenslotte toch zoals het gebekt is…

  


KRAZY & IGNATZ

december 31, 2007

krazykat-2.jpg

 Dit is de enige echte Krazy Kat van George Herriman.  Het is de herdruk van een in 1933-34 uitgegeven strip door Fantagraphics Books, Seattle, en getekend door George Herriman. De ondertitel luidt : “Necromancy by the Blue Bean Bush”, Compounding the Complete Full-Page Comic Strips, with some extra Rarities. Bewerkt door Bill Blackbeard and Derya Ataker. 

Op de link “George Herriman” hiernaast kan men alles te weten komen over deze aparte comic-tekenaar. Ik vermoed dat er niet zo bijster veel stripliefhebbers van deze tekenaar hebben gehoord. Indien mogelijk kreeg ik graag hierover wat respons, omdat het altijd prettiger is om samen van iets te genieten dan alleen. Behalve de tekeningen, vind ik ook de teksten, de dialogen dus, heel bijzonder, in een soort verbasterd Jiddisch-Amerikaans taaltje. Ergens doen die me denken aan die van de Katzenjammer Kids.

      


Naar zee, naar zee…

december 29, 2007

dsc00026.jpg 

 Op de wandeldijk van Oostende is ook Fernando Pessoa aanwezig met bovenstaand gedicht, gebeiteld in een arduinen plaat, “Ode Maritima”.Wandelaars lopen er overheen, sommigen onoplettend, anderen blijven even staan, lezen het gedicht.   


DE LAATSTE IJSLANDVAARDER

december 27, 2007

amandine.jpg 

Wanneer je uit het station komt in Oostende en je steekt de brug over, kom je langs het kleine dok van « d’Ostensjhe Ieslandvisjherie », waar een oude IJslandvaarder, de « Amandine O.129 » voor goed gemeerd ligt. Omstreeks 1998 werd met de renovatie van het oude schip begonnen met het doel het als een museum in te richten. Het schip werd in 1962 in gebruik genomen en 33 jaar later terug uit de vaart genomen. Het is een stukje geschiedenis dat daar ligt en heus het bezoeken waard. Er werd toen hoofdzakelijk op kabeljauw, schelvis, blauwe ling, koolvis, rode poon, rode zeebrasem, grote pladijzen (platvis) en Schotse schol gevist.

Wie een goed beeld van het leven op zo’n boot wil hebben moet maar eens het boek van Pierre Loti lezen, « Pêcheur d’Islande ». Het speelt zich af in het begin van vorige eeuw, toen de boten nog heel wat primitiever waren. Een handjevol Bretoenen trekt ieder jaar van februari tot einde november, zelfs december, naar de IJslandse kust, waarbij ze dus nooit de lente en de zomer meemaken in hun eigen land, zelden de zon zien en voortdurend in een grauwe kille en nevelige atmosfeer moeten werken. Dat waren mannen uit een stuk, mannen van stavast, voor wie vriendschap geen ijdel woord was. Van de talloze boten die vertrokken kwamen er steeds een aantal nooit meer terug. Het boek vertelt het harde primitieve leven van die mensen, hun zorgen, maar ook hun kleine vreugden en hun binding met het thuisfront. Er loopt ook, als een rode draad, een ontroerende liefdesgeschiedenis door. En die geschiedenis brengt me onvermijdelijk naar het wat verderop gelegen Strandhotel, dat op zijn baldakijn voor de ingang, deze prachtige woordvondst draagt : « Les Amants dînent »…